Van Den Abeele, Albijn (1835-1918)

Van Den Abeele, Albijn (1835-1918)

Biografie

Van de beroemde Latemse kunstenaars was Albijn (Binus) van den Abeele de enige die in het dorp geboren werd. Zijn sociale engagement zette hem reeds op vroege leeftijd aan om zijn dorpsgenoten te onderwijzen. Op vrijwillige basis gaf hij les aan de plaatselijke parochiale zondagsschool. Maar zijn ambities lager verder. Reeds in 1859 liet hij een eerste novelle in feuilletonvorm verschijnen in een Gentse krant. Ook in zijn volgende geschriften zou hij de sociale wantoestanden op het platteland aanklagen. Het begrip volksverheffing was nooit veraf. Anderzijds ontpopte hij zich tot een gedreven amateur-historicus, waarbij zijn aandacht ging naar de geschiedenis van Sint-Martens-Latem en Deinze. Van den Abeeles literaire stijl kaderde in de romantisch-realistische traditie, en in wezen was hij een product van de literaire heropleving die Hendrik Conscience in gang zette.

Via zijn literaire en historische geschriften kon Van den Abeele steunen op een brede vriendenkring. Reeds in de jaren 1860 ontwikkelde zich rond Binus’ huis aan de Knok te Latem een kunstenaarskring, die o.m. bestond uit de schilders Xavier De Cock, Jozef Pauwels en Felix Cogen, de oom van Anna De Weert. Toen reeds leidde Van den Abeele kunstenaars naar het dorp. In 1860 kwam Xavier De Cock bijvoorbeeld door toedoen van Van den Abeele aan de Vierschaar te Deurle wonen.

Ook in de dorpspolitiek speelde hij een belangrijke rol. Gemeenteraadslid vanaf 1863, schepen in 1867, werd hij in 1869 burgemeester van Sint-Martens-Latem, een taak die hij tot 1876 vervulde. Onverwacht nam hij toen afscheid van de politiek, en werd hij gemeentesecretaris van Latem en Afsnee. Ongeveer gelijktijdig ontluiken de eerste artistieke ambities.

Binus had een neus voor nieuwe contacten. Reeds in 1883 raakte hij bevriend met Emile Claus, die zich pas een jaar eerder in Astene, even stroomopwaarts van Latem, vestigde. Wellicht introduceerde Van den Abeele ook Xavier De Cock in Villa Zonneschijn, het woonhuis van de kunstenaar. De camaraderie tussen Van den Abeele en Claus zou zeker tot 1895 standhouden; samen met De Cock was Claus getuige bij het huwelijk van Binus in 1885. Na zijn huwelijk betrok Van den Abeele een statige woning aan de Latemstraat. Naderhand deed het internationale succes van de Astenaar Van den Abeele terugschrikken. Door zijn huwelijk maakte Claus de facto deel uit van de Franstalige hogere burgerij, een kring die voor de flamingant Van den Abeele onbekend terrein was. Weliswaar introduceerde ook Claus vrienden als Camille Lemonnier, maar het blijft toch opmerkelijk dat het contact met de Astenaar verminderde, naarmate een nieuwe generatie kunstenaars in Latem binnensijpelde.

Het is bekend dat Binus hemel en aarde verzette om Valerius De Saedeleer naar Latem te lokken. Opmerkelijk des te meer daar De Saedeleer in een artistieke crisis verkeerde en pas na de eeuwwisseling zijn weg zou vinden en een grote renommee opbouwen. In 1892-1893 verbleef het gezin De Saedeleer eerst in Afsnee, naderhand in Sint-Martens-Latem. De rusteloze zwerver zou al snel terug naar Gent trekken, maar keerde in 1898 naar het dorp terug, opnieuw onder invloed van de gemeentesecretaris. En in zijn zog zou eerst George Minne volgen, en dan Karel en Gustave van de Woestijne en Jules de Praetere. Op die manier kreeg de eerste groep van Sint-Martens-Latem vorm, onder het goedkeurende oog van Albijn van den Abeele. Feit is dat al deze kunstenaars een grote bewondering hadden voor het naïeve, het ontwapenende karakter van Binus schilderijen. In zijn werk zagen ze hun zoektocht naar authenticiteit verwezenlijkt. Ook bij een tussenfiguur als Albert Servaes had de schilderende gemeentesecretaris een grote invloed. Zelfs voor de jongste generatie die zich vanaf 1905 in het dorp verzamelde – Gustave De Smet, Constant Permeke en Frits Van den Berghe – had Van den Abeele zijn belang. En ook latere generaties kwamen in de ban van de kunstenaar. De jonge Hubert Malfait bijvoorbeeld omschreef Binus als “een groot artiest. Hij heeft sparrebossen geschilderd waardoor ge kunt wandelen.” Albijn van den Abeele was zeker de stamvader van de Latemse groep, en wist de opeenvolgende generaties kunstenaars in het dorp te boeien.

Het begin van de Eerste Wereldoorlog vormde voor Van den Abeele het einde van een gelukkige tijd. Een voor een had hij zijn vrienden-kunstenaars zien vertrekken, en nu, plots, zag hij zichzelf vereenzaamd in zijn geliefde dorp. De wapenstilstand mocht Albijn van den Abeele nog meemaken. Op 16 november 1918 stierf de kunstenaar in zijn huis aan de Latemstraat.

Oeuvre

Van den Abeels eerste stappen in de schilderkunst zijn rond 1874 te situeren. Toen verkende hij in eerste instantie de eigen regio, maar ook de Zwalmstreek. Zelf beschouwde hij dit ‘jeugdwerk’ als onvolkomen. Zijn eigen kunstenaarscarrière liet hij officieel pas in 1881 starten.

Uit Van den Abeeles persoonlijke adagium ‘Niets is schoon dan het natuurlijke’ straalde zijn kunstenaarsbestaan. Zijn ongekunstelde visie en de onbeholpen perspectief stonden diametraal tegenover het academisme, dat bij de klassieke canon zweerde. In zijn aftastende onschuld bood Van den Abeele een nieuwe weg. En daarin schuilde zijn succes bij de schildersbent die zich rond 1900 in Latem kwam herscholen. Binus’ ongerepte kijk op zijn dagdagelijkse omgeving leidde de kunstenaars van de eerste groep naar de geheimen van het landelijke leven.

Waar hij in het begin van zijn schilderscarrière vooral analyseerde, kwam hij vanzelf tot een totaalvisie. Van den Abeele maakte begrippen als anekdotiek, eenvoud en oprechtheid opnieuw bespreekbaar. Niet omdat hij vanuit romantisch-realistisch oogpunt de geliefde regio verbloemde, maar eerder omdat hij anderen leerde zien.

Na de eeuwwisseling kregen zijn landschappen een symbolische betekenis, die bijna vanzelf de natuurvisie van bijvoorbeeld Valerius De Saedeleer verklaren. Als landman stond hij in de natuur. Een ‘stadskunstenaar’ als De Saedeleer kon alleen door observatie in de geheimen van de natuur doordringen. Maar de holistische kijk van Binus ontbrak hem vooralsnog. En ook voor de andere leden van de eerste groep bracht Van den Abeele het antwoord op essentiële vragen. In deze authentieke beleving van de natuur speelde kleur geen bepalende rol, maar stond ze ten dienste van het geheel. Binus’ belangrijkste indrukken zijn eerder sferische noties die evenzeer impressionistisch van aard zijn; alleen de analytische techniek en het vervormde koloriet van de Franse impressionisten volgde hij niet. Ook hij keerde herhaaldelijk naar hetzelfde landschappelijke gezicht terug, en bekeek het steeds opnieuw op een oorspronkelijke manier.

In wezen is zijn blik op de natuur evenzeer verwant met de manier waarop de symbolisten het landschap in beeld brachten. De registratie van het landschap was bij Van den Abeele immers de resultante van reflectie en verwondering, van een diepgaande peiling naar de natuur en zichzelf. De spirituele geladenheid van Van den Abeeles werk was dus wel degelijk een voorbode en inspiratiebron voor kunstenaars als De Saedeleer en Albert Servaes. Hoewel zijn werk anekdotisch aandoet steekt achter de voorstelling een gevoelige betrokkenheid, een poëtisch vermogen dat zijn weerga niet kent. Van den Abeele maakte bij wijze van spreken deel uit van het landschap, was er dermate mee verbonden dat hij zelfs in geïdealiseerde gezichten van de eigen streek een universele boodschap wist te brengen.

Vooral in het sous-bois vond Van den Abeele zijn streng. Het is de plaats bij uitstek waar de natuur zijn geheimen openbaart. Naadloos sluit natuur en cultuur bij elkaar aan, op een onpeilbare religieuze manier. Van romantiek of realisme is hier niet langer sprake. De kunstenaar kwam hier zelfs in de buurt van de avant-garde, die vanuit het landschappelijke motief tot de abstractie kwam. Of met de woorden van Karel van de Woestijne: “Zijn kunst, al laat zij de natuur nooit los, groeit tot een interpretatie die zuiver gevoel wordt, uitgedrukt in nobele lijn-en-kleurstatiek.”

Bibliografie

** Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt – Sint-Martens-Latem, Lannoo – Art Book Company, 1992.
** Raf van den Abeele en Dieter Lampens, Albijn van den Abeele, de stamvader van de Latemse kunstenaars, Brussel – Gent, Gemeentekrediet – Snoeck-Ducaju & Zoon, 1993.
** Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt – Zwolle, Lannoo – Waanders, 2000.

Enige resultaat