De Weert, Anna (1867-1950)

De Weert, Anna (1867-1950)

Biografie

Van bij haar geboorte groeide Anne Virginie Caroline Cogen in een besloten burgerlijk midden op. Tekenen en aquarelleren maakte ontegensprekelijk deel uit van deze opvoeding. Komt daarbij dat haar beide ooms Felix en Alfons Cogen kunstschilders waren. Het kunstminnende milieu waarin ze opgroeide stimuleerde haar in de richting van de schone kunsten, en reeds op jonge leeftijd kon ze privé-lessen volgen bij Gentse kunstenaars. Daarnaast had ze interesse voor de literatuur; van moederszijde was ze de kleindochter van Karel Lodewijk Ledeganck.

In 1891 huwde ze met de Gentse advocaat Maurice De Weert, die ook als essayist en journalist actief was. Later werd De Weert gemeenteraadslid en schepen van de stad Gent. Bij haar huwelijk nam Anna Cogen de naam van haar echtgenoot aan. Met Claus maakte ze pas na haar huwelijk kennis, en het zou tot circa 1893 duren vooraleer ze zijn vrije lessen ging volgen in Villa Zonneschijn te Astene, Claus’ landhuis aan de Leie. Vanaf 1896 had ze een eigen stek aan de Leie. Het Hof ter Neuve in Afsnee was niet zo ver verwijderd van Gent, waar ze in de Godshuizenstraat als echtgenote van de notabele een meer mondaine rol speelde.

Als kunstenares debuteerde ze op de Gentse salon van 1895 en tot haar dood zou ze zelden op de Belgische salons ontbreken. Ook internationaal kende ze reeds vroeg internationaal succes; vanaf 1910 was ze trouwens corresponderend lid van de modernistische Wiener Secession. De Weert participeerde ijverig aan het tentoonstellingsleven. Vooral in de Gentse Cercle Artistique et Littéraire was ze actief, waar ze herhaaldelijk in kleine groepstentoonstellingen triomfeerde.

Oeuvre

Tijdens en kort na haar Astense tijd onderging Anna De Weert duidelijk de invloed van Emile Claus. Thematisch volgde ze de kunstenaar Claus zeker: de Leie heeft een centrale plaats in haar oeuvre. Maar haar toets was chaotischer, vlokkiger ook. In tegenstelling tot Claus bracht ze de verf zwaar en pasteus op. Coloristisch zijn haar contrasten harder, de kleurschakeringen feller. Zoals bij Jenny Montigny had kleur de voorkeur op vorm. Haar symfonische kleurgedichten zijn qua koloriet moeilijk vergelijkbaar met de rustige, meer ingetogen scènes van haar leermeester Emile Claus. Compositie, nuance en perspectief waren niet haar eerste zorg. Het licht ontdoet alle vormen van stoffelijkheid en omfloerst integendeel de realiteit.

Reeds rond de eeuwwisseling werd De Weert als een belangrijke luministe beschouwd. Het Antwerpse tijdschrift Kunst & Leven bracht in 1904 als volgt erkenning aan haar werk: “Haar talent is tot rijpe ontwikkeling gekomen; zij heeft haar weg gevonden en aan hare schoone onbewustheid van onafhankelijke kunstenares vorm en kleur gegeven, zoo, dat wij haar werk niet meer zullen vergeten”.

Naar aanleiding van de retrospectieve tentoonstelling van januari 1938 in de Gentse Cercle Artistique merkte criticus Frédéric de Smet in de catalogus het volgende op: “Met zeldzaam geluk ontdekt hare kunst, de fijnste, de meest subtiele kleurschakeringen in mist of lichteffecten die dit eenig plekje van Vlaanderen bezielen en poëtiseeren; dit Leyehoekje [bij Ter Neuve te Astene] dat zij zich voorbehouden heeft”.

Bibliografie

** Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt – Sint-Martens-Latem, Lannoo – Art Book Company, 1992.
** Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt – Zwolle, Lannoo – Waanders, 2000.
** Veerle van Doorne, e.a., Retrospectieve tentoonstelling A. De Weert, J. Montigny, Y. Serruys, Deinze, Museum van Deinze en de Leiestreek, 1987-1988.

Alle 2 resultaten