Van De Woestyne, Gustave (1881-1947)

Van De Woestyne, Gustave (1881-1947)

Biografie

In zijn jeugdjaren studeerde Gustave van de Woestyne aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten. Niettemin was het de broer van de schilder, Karel, die hem introduceerde in het Gentse artistieke en intellectuele milieu waartoe hij toegang had. Aan de zijde van zijn broer kreeg Van de Woestyne een intellectuele vorming die hem reeds op jonge leeftijd binnenleidde in de wereld van de literatuur, de klassieke muziek en de plastische kunsten.

Toen Van de Woestyne in het gezelschap van zijn broer in 1900 naar Sint-Martens-Latem trok was hij nauwelijks 19 jaar oud. De onervaren academiestudent werd er geconfronteerd met het verfijnde intellectualisme van George Minne. Met Valerius De Saedeleer en Jules de Praetere vormden ze de kern van de zogenaamde eerste groep van Latem, die door symbolistische aspiraties werd gekenmerkt.

Als jonge kunstenaar werd Van de Woestyne vrij vlug opgemerkt, en in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog kon hij deelnemen aan belangrijke internationale tentoonstellingen in Amsterdam, Den Haag en Venetië. Ook bij de Brusselse avant-garde groep La Libre Esthétique was hij te gast.

Van de Woestyne verbleef tot 1909 in Latem. Op dat ogenblik was de zogenaamde eerste, symbolistische groep ontbonden. Uit nostalgie naar de Latemse jaren volgde hij Valerius De Saedeleer naar Tiegem, waar hij tot 1913 woonde. Vlakbij, in Ingooigem, resideerde een andere vriend, de schrijver Stijn Streuvels, voor wie hij in 1909 de hertaling van het middeleeuwse dierenepos De Vos Reinaert illustreerde. Met De Saedeleer bezocht hij Firenze in 1913.

Samen met de familie van De Saedeleer sloeg hij bij het begin van de oorlog op de vlucht, en via Sint-Anna-ter-Muiden, Oostende en Londen eindigde de reis in Wales. De eerste tijd woonde hij in het kustplaatsje Aberystwyth. Naderhand leefde hij in Llandiloes, het dorp waar ook George Minne zijn ballingschap doorbracht. Wales kon hem echter niet bekoren; in 1915 en 1916 reisde hij regelmatig naar Londen. Uiteindelijk verhuisde hij in 1917 naar de Britse hoofdstad. Deze Londense connecties brachten een relatieve welstand. Vooral zijn contacten met het Nederlandse echtpaar Jacob De Graaff-Bachiene waren van doorslaggevend belang. Deze vriendschappelijke relatie en het succes in Groot-Brittannië deden hem op het einde van de oorlog zelfs even twijfelen aan een terugkeer naar België.

Terug in België bracht hij enkele jaren in het Rozenhuis te Waregem door. In het huis van de familie De Sutter had eerder ook Modest Huys verbleven; na Van de Woestyne vond Jules De Sutter er een woonstek. Vanaf 1925 verbleef hij in Mechelen, waar hij tot directeur van de Academie voor Schone Kunsten was benoemd. In hetzelfde jaar werd hij docent schilderkunst aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen; van 1928 tot 1931 doceerde hij het vak monumentale schilderkunst aan het Hoger Instituut voor Sierkunsten van Ter Kameren in Brussel.

Deze officiële opdrachten verhinderden echter niet dat Van de Woestyne deel bleef uitmaken van de avant-garde. Zo was hij in 1925 te gast in de Brusselse modernistische galerij Le Centaure. In 1929 was hij solo te gast in het pas geopende Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. In 1926 maakte hij ook deel uit van de kunstkring Les 9, een kring die o.m. Gustave De Smet en Frits Van den Berghe groepeerde. Met hen werd hij tien jaar later lid van de spraakmakende kring Les Compagnons de l’Art. Ook internationaal werd hij tot de avant-garde gerekend. Zo was hij in 1926 een opgemerkte deelnemer aan de tentoonstelling L’Art Belge in Grenoble. Anderzijds onderging Van de Woestyne vanaf 1928 het mecenaat van het Brusselse echtpaar David en Alice van Buuren. Hun visionaire collectie vormt vandaag de belangrijkste verzameling van Van de Woestynes werk in openbaar bezit, te zien in het Museum van Buuren te Ukkel.

Oeuvre

Het intellectuele kader dat zijn broer Karel en de beeldhouwer George Minne in Sint-Martens-Latem schiepen, voelde Gustave van de Woestyne als een totale herbronning aan. Als stedeling werd hij plots met het landleven geconfronteerd. Het boerenleven, dat zijn eeuwige strijd met de aarde met een diepe religiositeit verbond. Van in het begin van zijn carrière nam hij mythes en parabels als leidraad, en transponeerde hij de klassieke verhalen in het landelijke leven. Het dagdagelijkse en het sacrale worden in hun verbondenheid weergegeven. Anderzijds rukte het Latemse verblijf hem los uit de steedse vervuiling en onzekerheden. In het dorp was niet alleen plaats voor devotie en mystiek. Tegelijk leefde het ambachtelijke en het authentieke in het dorp. Zijn boeren lijken buiten de werkelijkheid te leven, in hun terughoudendheid en ascese.

Voor de ontwikkeling van de kunstenaar was het bezoek aan de tentoonstelling van de Vlaamse Primitieven te Brugge in 1902 decisief. Van hen nam hij het ambachtelijke over én het ragfijne realisme, hun observatievermogen ook. Van de Woestyne gaf echter de voorkeur aan een zacht koloriet, afgewerkt door een schrale factuur. Tegenover deze zachte structuur staan de harde contouren die zijn figuren gestalte geven. Vooral zijn portretten geven blijk van het zuivere, het pure.

In tegenstelling tot zijn vriend Minne vormden de oorlogsjaren geen rem op zijn artistieke ontwikkeling. Tijdens zijn Britse jaren was hij vooral als portretschilder actief.

In de jaren 1920 sloeg de kunstenaar de weg in van de nieuwe zakelijkheid. Het trauma van de Eerste Wereldoorlog was in Duitsland de oorzaak van het ontstaan van een nieuw realisme, dat de maatschappij en haar ontwikkeling in vraag stelde. Deze visie vertaalde zich in een hyperrealistische stijl waarin het lineaire een bijzonder belang had. Anderzijds onderging Van de Woestyne zeker de invloed van het heersende expressionisme, dat het begrip emotie opnieuw naar voor droeg. In het interbellum ging Van de Woestyne ook meer en meer stillevens schilderen, die in hun onwezenlijke realisme de sfeer van het surrealisme verraadden.

Bibliografie

** Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt – Sint-Martens-Latem, Lannoo – Art Book Company, 1992.
** Veerle van Doorne, e.a., Gustave van de Woestyne 1881-1947, tent. cat., Deinze, Museum van Deinze en de Leiestreek, 1997.
** Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt – Zwolle, Lannoo – Waanders, 2000.

Geen producten gevonden die aan je zoekcriteria voldoen.