Montigny, Jenny (1875-1937)

Montigny, Jenny (1875-1937)

Biografie

Gedurende de eerste twintig jaar van haar leven onderging Jenny Montigny de typische burgerlijke opvoeding van een welgesteld milieu. Van jongs af aan was ze geboeid door kunst, en ze zette alles op alles om dit doel te bereiken, tegen de wil van haar vader. Haar grote voorbeeld ontdekte ze eind 1892-begin 1893 in het Gentse Museum voor Schone Kunsten: vol bewondering stond ze voor het schilderij De ijsvogels van Emile Claus dat toen pas door de Stad was aangekocht. Vanaf 1895 trok ze regelmatig naar Villa Zonneschijn, het atelier van Claus in Astene, om er zijn vrije lessen te volgen. In 1904 ruilde ze het burgerlijke Gent en koos voor een zelfstandig, onzeker bestaan in Villa Rustoord te Deurle.

Na haar debuut op de Salon van Gent in 1902 exposeerde ze reeds het volgende jaar in Parijs. Jarenlang maakte ze er grote sier op de tentoonstellingen van de Société des Beaux-Arts, en deelname bracht ook succes: reeds in 1906 kocht de Franse staat, lang voor een Belgisch museum, een schilderij van haar op de Salon des Indépendants.

Montigny integreerde zich vlot in het eigentijdse kunstleven. Zo was ze actief in de luministische kunstenaarsvereniging Vie et Lumière. Exposeren deed ze vaak in Brussel, o.m. in de Waux-Hall van de Cercle Artistique et Littéraire aldaar (1904). Reeds in dat vroege werk ontdekte het Gentse tijdschrift La Tribune Artistique de grote waarde van haar werk: “Laat ons stellen dat alles er jeugd in uitstraalt, illusie, charme, levensvreugde. De lente spreekt erin, de zon, het licht, een aangename atmosfeer, de natuur in feest. Dat ziet, dat begrijpt en zegt deze jonge en reeds zeer handige kunstenares.” Exposeren deed Montigny ook op de driejaarlijkse salons te Antwerpen, Brussel en Gent. Daarnaast was ze regelmatig te gast in de Gentse Kunst- en Letterkring.

De jaren van de Eerste Wereldoorlog bracht ze door in Londen. Actief was ze onder meer in The Womens International Art Club. Maar de oorlogsjaren waren financieel catastrofaal; terug in Deurle zag ze zich verplicht om haar huis te verkopen. Een kleinere behuizing in de Pontstraat te Deurle volgde; haar atelier moest ze onderbrengen in de Dorpsstraat. Vlakbij bevond zich de Sint-Jozefschool. Daar kon ze ongestoord haar geliefkoosde onderwerp bestuderen; de ravottende kinderen van Deurle. De financiële problemen hielden echter aan. Van Claus mocht ze meer dan eens financiële steun ontvangen; na zijn dood kreeg ze ruggesteun van haar zuster. In elk geval geeft deze materiële onzekerheid aan dat in het interbellum nauwelijks kopers voor haar werk te vinden waren. Montigny verdween in de jaren tussen de twee wereldoorlogen een beetje uit beeld in Gent; aan de tentoonstellingen van de plaatselijke Cercle Artistique et Littéraire nam ze slechts sporadisch deel. Brussel bekoorde meer, getuige de herhaalde individuele tentoonstellingen. Montignys tentoonstellingen liepen in de kijker en haar werk werd ook in de reguliere pers goed onthaald. Een beetje vereenzaamd van het artistieke milieu overleed ze in 1937 in haar huis aan de Deurlese Pontstraat.

Oeuvre

Van bij haar debuut werd ze door de kunstkritiek als een volgelinge van Claus beschouwd. Maar qua stijl was ze evenzeer vergelijkbaar met het oeuvre van Georges Buysse, die een zelfde drang naar werkelijkheidsweergave had. Technisch onderscheidde ze zich zeker van Claus. Tegenover het divisionisme en de analyse van Claus, was haar kunstvisie generaliserend van aard. Montigny zocht eerder de synthese op. Het was haar eerder om een totaalindruk te doen, waarin de verschillende componenten met elkaar versmolten. Anders dan Claus bezag ze het landschap als een fotograaf die door zijn lens kijkt. Levensechte beelden bracht ze. Bloemen en struiken verstoren vaak het gezichtsveld, zodat de toeschouwer de illusie heeft zich middenin het tafereel te bevinden. Montigny schilderde in brede, spontane vegen die de synthetische kracht van haar doeken mede tot stand helpen brengen.

In tegenstelling tot Claus vormden de oorlogsjaren een troosteloze tijd voor Montigny. Tijdens deze jaren schilderde ze vooral in de omgeving van Hyde Park en de Kensington Gardens. De grauwe, mistige atmosfeer leek haar op het lijf te zijn geschreven. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Anna De Weert, die andere leerlinge van Claus, had ze immers nooit in hel-coloristische, spetterende kleuren gewerkt. Nog in Londen ontstonden ook interessante etsen.

Terug in België ging ze verder op de weg die ze reeds voor 1914 was ingeslagen. Belangrijk is dat Montigny uitgesproken vrouwelijke thema’s vertolkte (zogende moeders, badende baby’s, spelende kinderen,…). Interessant is evenzeer dat ze deze thema’s niet op een softe manier behandelde. Montigny putte zeker uit haar directe omgeving, zoals een eigentijdse criticus vaststelde: “Een model ter zijner beschikking te hebben, in huis, in het atelier, een model dat zich naar believen laat bestuderen, dat men lang met de blik mag strelen! En de omstandigheden zaten mee. Een robuuste meid getrouwd met een solide Vlaamse werkman, zette en klein, rozen wezentje ter wereld, dat zich ontwikkelde onder de ogen van de kunstenaar”. De voorkeur voor menselijke intimiteit deed haar meer en meer van Claus verschillen; thematisch, technisch en coloristisch sprak ze een totaal andere taal.

Bibliografie

** Veerle van Doorne, e.a., Retrospectieve tentoonstelling A. De Weert, J. Montigny, Y. Serruys, Deinze, Museum van Deinze en de Leiestreek, 1987-1988.
** Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt – Sint-Martens-Latem, Lannoo – Art Book Company, 1992.
** Marie-Hélène Wibo, e.a., Jenny Montigny 1875-1937: lumières impressionnistes, Charleroi, Musée des Beaux-Arts, 1997-1998.
** Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt – Zwolle, Lannoo – Waanders, 2000

Geen producten gevonden die aan je zoekcriteria voldoen.