De Cock, Xavier (1818-1896)

De Cock, Xavier (1818-1896)

Biografie

Geboren als zoon van een kleermaker, brak voor Xavier en zijn broer César een moeilijke periode aan na de vroege dood van hun vader. In de periode 1830-1835 volgde hij les aan de academie. Dankzij de financiële steun van een lakenkoopman kon hij vervolgens zijn opleiding te Antwerpen vervolledigen. Reeds in 1837 debuteerde hij op de driejaarlijkse tentoonstelling te Antwerpen. Tot 1845 zond hij telkens werk in naar de officiële Belgische salons.

Ondertussen was hij in Gent een bekende figuur. In 1840 stond hij aan de wieg van het Kunstgenootschap, een vereniging ter bevordering van jonge, onvermogende kunstenaars. Ook César De Cock werd enkele jaren later lid van het genootschap.

In 1852 maakte Xavier in gezelschap van een vriend een reis naar Normandië, en belandde hij via Parijs in Barbizon. Hij maakte er kennis met de familie Mélingue, bij wie hij kon inwonen. Binnen de kortste tijd integreerde De Cock zich in het Parijse kunstleven. Succes kende Xavier zeker in Parijs.

Wanneer Xavier De Cock zich in 1860 in Deurle – een deelgemeente van Sint-Martens-Latem – vestigde, legde hij het fundament van het kunstenaarsdorp. Rond dezelfde tijd sloot hij vriendschap met Albijn van den Abeele, de gemeentesecretaris van Sint-Martens-Latem.

Op dat ogenblik was De Cock een vooraanstaand schilder in binnen- en buitenland; zo werd hij op de Parijse salon als een gevierd landschapschilder van Barbizon ontvangen. De Cock bracht de winters wellicht in Parijs door, maar in het voorjaar en de zomers was hij steeds in Deurle. Zijn Franse faam leefde ook in België, en met graaf Henri ‘t Kint de Roodenbeke, de bewoner van het nabije kasteel van Ooidonk, kende hij een invloedrijke verdediger van zijn werk.

Na 1865 gaf Xavier de voorkeur aan het Belgische kunstleven en exposeerde veelvuldig op de salons in Antwerpen, Brussel en Gent. Met succes, want in 1862 kocht het Gentse Museum voor Schone Kunsten De Meersstraat te Gent. De bossen en meersen rond Gent vormden een belangrijke studiebron voor de kunstenaar. Zijn werk bleef hij echter naar Parijs sturen, waar hij elk jaar opnieuw op de salon was vertegenwoordigd.

Oeuvre

De lokroep van de natuur had eerst op Xavier De Cock een grote aantrekkingskracht. In zijn Gentse tijd voelde hij zich sterk door het plaatselijke conservatieve milieu beklemd. Op dat ogenblik was hij een vooraanstaande beoefenaar van het pastorale landschap, de nostalgische, gefantaseerde landschappen uit de romantiek.

Onder de invloed van Jean-François Millet en de kunstenaars van Barbizon, ging hij naar de natuur werken. Compositie en evenwicht maakten nu plaats voor observatie. Tot het detailrealisme van zijn broer César liet Xavier zich echter niet bekeren. Wel zou hij zoals zijn broer het zogenaamde sous-bois opzoeken. Met de rijke schakeringen van het gebladerte op de achtergrond – van geel en groen tot bruin – plaatste hij in tegenstelling tot César steeds de mens en het dier op het voorplan. Technisch hanteerde hij een losse toets die hij leende van zijn Franse voorbeelden. Het spel van (gefilterd) licht en schaduw toont echter een Noordelijk kunstenaar, die in dromerige, wazige scènes het rurale Vlaanderen in beeld bracht.

Zonder twijfel romantiseerde hij het landschap. Tenslotte was ook hij een stedeling die met een vertederde verwondering de bosrijke omgeving van Sint-Martens-Latem probeerde te doorgronden. Xavier De Cock ontwikkelde zich als dierenschilder, waarbij hij een Belgisch publiek wist te bekoren. Tekenend is dat een auteur als Karel van de Woestijne, decennia later over het romantische aanvoelen van De Cock berichtte, over die vrije en ongedwongen werkwijze, die terugkeer naar de natuur “met de blij-verwonderde oprechtheid van een kind”, die Xavier wist te bewaren “tot op het einde van zijn noest acht-en-zeventigjarig leven” toe.

Bibliografie

– Veerle van Doorne, Retrospectieve tentoonstelling Xavier De Cock (1818-1896), Cesar De Cock (1823-1904), Gustave Den Duyts (1850-1897) (Deinze: Museum van Deinze en Leiestreek, 1988).
– Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen (Tielt/Sint-Martens-Latem: Lannoo/Art Book Company, 1992).
– Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970 (Tielt/Zwolle: Lannoo/Waanders, 2000).

Geen producten gevonden die aan je zoekcriteria voldoen.