Permeke, Constant (1886-1952)

Permeke, Constant (1886-1952)

Biografie

Het is een vreemde speling van het lot dat de buurt het Patershol herhaaldelijk een decisieve rol speelde in de ontwikkeling van de schilderkunst in de Leiestreek. In de jaren 1890 was de buurt de plaats van samenkomst van de belangrijkste leden van de zogenaamde eerste groep van Latem: Minne, Van de Woestyne, De Saedeleer, De Praetere. In 1906 lijkt de geschiedenis zich te herhalen. In dezelfde buurt wordt in 1906 het fundament gelegd van de tweede groep: de academiestudenten Permeke, De Smet en Van den Berghe wisselen er van gedachten en bouwen er aan hun toekomst.

De jeugdjaren van Constant Permeke in Antwerpen zijn verwaarloosbaar. Maar zijn wereld wordt grondig gestoord door de verhuis naar Oostende in 1891. Zijn vader, Henri-Louis, werd er tot conservator van het plaatselijke Museum voor Schone Kunsten benoemd, en speelde samen met James Ensor een belangrijke rol in het kunstleven van de stad. Op de tentoonstellingen die beiden in de stad inrichten wordt Constant voor het eerst met de moderne kunst geconfronteerd.

Zijn eerste opleiding kreeg hij aan de Brugse academie, maar het was pas in de Gentse jaren circa 1906 dat zijn talent open bloeide. Aan de Gentse academie was Albert Servaes een studiegenoot, en Servaes zou voor Permeke van bijzondere betekenis zijn. Rond deze tijd raakte hij ook bevriend met de gebroeders Gustave en Leon De Smet, Frits van den Berghe en Paul-Gustave van Hecke, die al snel als criticus naam ging maken.

In de lente van 1909 trok ook hij naar Sint-Martens-Latem, waar hij vlakbij zijn vriend Gustave De Smet ging wonen en zijn vrienden Van Hecke en Van den Berghe opnieuw ontmoette. Artistiek was het contact met Albert Servaes van groot belang. Met deze laatste exposeerde hij trouwens in 1913 in de Gentse Cercle Artistique et Littéraire. Na zijn huwelijk keerde Permeke in 1912 terug naar Oostende, waar hij de buurman van Leon Spilliaert werd.

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog raakte Permeke zwaar gewond en werd naar Londen overgebracht. Tijdens zijn herstelperiode verbleef hij eerst in Stanton Saint-Bernard en later in Chardstock.

Pemerke keerde in het voorjaar van 1919 naar België terug. Hoewel hij in de twintiger jaren deel uitmaakte van de kring rond de Brusselse galerijen Sélection en Le Centaure, behield de kunstenaar toch enige afstand. In tegenstelling tot zijn vrienden Gustave De Smet en Frits Van den Berghe kwam hij nooit onder contract bij deze kunsthandels.

In 1929-1930 betrok hij een atelierwoning in Jabbeke, ‘De Vier Winden’. Stilaan kreeg zijn werk ook internationale weerklank. Zo organiseerde de Amsterdamse kunsthandel Buffa vanaf 1925 tot 1945 bijna jaarlijks persoonlijke tentoonstellingen. Zoals zijn vrienden Gustave De Smet en Frits Van den Berghe maakte ook Permeke indruk op de tentoonstelling van Belgische kunst in 1927 in Grenoble; twee jaar later maakte hij indruk met tentoonstellingen in New York, Washington en Chicago. In hetzelfde jaar hadden zijn individuele tentoonstellingen bij de Brusselse galerijen Le Centaure en Louis Manteau een internationale weerklank. De triomf volgde in 1930 wanneer hij in net Brusselse Paleis voor Schone Kunsten uitpakte met niet minder dan 600 werken. Vanaf 1933 was hij bijna jaarlijks te gast in het ‘Paleis’. Rond 1930 kwam Permeke in contact met de Franse schilder Maurice de Vlaminck. De Fransman was herhaaldelijk te gast in Jabbeke.

Op Permeke leken de crisisjaren weinig vat te hebben. De ene prestigieuze tentoonstelling volgde de andere op, en internationale faam was zijn deel. Financiële ondersteuning kreeg hij van de mecenas Gustave van Geluwe uit Brussel. De Belgische Staat bood hem in 1935 zelfs de titel van baron aan, een onderscheiding die hij prompt weigerde.

De oorlogsjaren bracht hij voornamelijk te Brussel door; Jabbeke zelf lag in de kustzone waarin weinig bewegingsvrijheid gold. Resoluut weigerde hij deel te nemen aan tentoonstellingen die door de bezetter werden georganiseerd. Gevolg was dat in 1941 zijn tentoonstelling in de galerij Brueghel door de Duitsers als ‘entartet’ werd geklasseerd. Opmerkelijk in dit verband was zijn engagement voor de Brusselse galerie Apollo, die ostentatief tegen de stroom invoer.

Het hoogtepunt kwam in 1947 toen grote retrospectieven van zijn werk te zien waren in Amsterdam, Brussel, Praag en Parijs. In de volgende jaren domineerde hij ook het Belgische paviljoen op de biënnale van Venetië en Sao Paulo. Nog in 1951 eerde de Antwerpse vereniging Kunst van Heden de kunstenaar met een groots opgezette retrospectieve tentoonstelling.

Constant Permeke overleed op 4 januari 1952 in de H. Hartkliniek te Oostende.

Oeuvre

Zoals zijn vrienden Gustave De Smet en Frits van den Berghe is de invloed van Claus op zijn vroege werk aanwijsbaar. Maar zoals bij hen het geval was, bracht hij het luminisme op een ander spoor. Toen reeds was Permeke op zoek naar structuur, constructie en monumentaliteit. Voor Permeke waren de eerste Latemse jaren van bijzondere betekenis. Het oppervlakkige impressionisme bracht niet langer soelaas. De kunstenaar zocht expressie, en kleur speelde toen reeds een krachtige nevenrol. Reeds voor de oorlog bereikte hij het expressionisme. De spirituele verdieping van Servaes, met wie hij in Latem op goede voet leefde, speelde hierbij zeker een rol. Maar Servaes had ook artistiek een invloed. Vooral De aardappelplanters uit 1909 maakte indruk. Een getuigenis van een tijdgenoot luidde als volgt: “Op een keer was Permeke naar het atelier van Servaes gekomen, om er enkele verftuben te lenen. Toen zag hij dit gewrocht. Hij stond er paf van en kon geen woord meer uitbrengen: het doek was een openbaring voor hem.” Het schilderij bundelde spirituele kracht en overdonderende monumentaliteit. De Latemse jaren waren belangrijk voor de kunstenaar. Het primitieve, harde boerenleven was ontegensprekelijk verbonden met Permekes leefwereld in de Oostendse haven, naar waar hij in 1912 terugkeerde. Toen reeds kondigde zijn voorliefde voor de vormelijke synthese zich aan. De kracht van de lijn en een somber koloriet gaan overheersen.

De traumatische gebeurtenissen bij het begin van de Eerste Wereldoorlog hadden een grote invloed op Permekes oorlogswerk. In sommige schilderijen bereikte hij zelfs een vorm van abstract expressionisme, door de compositie van helle, abstracte kleurvegen en de symboliek van de voorstelling. De grove behandeling van de verf, die vaak met paletmes is aangebracht, de bijna abstracte kleurverdeling en het sprekende kleurgebruik staan allen in het teken van de verschrikkingen van de oorlog.

Terug in België observeerde Permeke de mens in zijn directe omgeving. In tegenstelling tot zijn vrienden De Smet en Van den Berghe was zijn werk echter onconformistisch. Zeker nam hij van De Smet de voorliefde voor het kubisme over, maar de stroming zou zijn werk nooit domineren. Liever zocht hij Paul Cézanne terug op en de primitieve, etnografische kunsten, de bronnen van het kubisme dus. Zoals zijn vrienden verzamelde ook hij gretig de negersculptuur.

Het vissersleven werd zijn uitverkoren onderwerp in deze jaren, die hij vooral in houtskooltekeningen typeerde. Onder invloed van de etnische kunst evolueerde Permeke naar een vrij constructivisme. Het koloriet kreeg een uitgesproken emotioneel karakter.

Zijn verblijf te Astene in de zomer van 1922 confronteerde hem opnieuw met het landschap. Het hernieuwde contact met het landelijke leven voerde hem echter niet tot het rigide Vlaamse expressionisme, dat zijn vrienden De Smet en Van den Berghe aanhingen. Permeke stond voor een radicale, impulsieve interpretatie, waarin de picturale energie de berekening van zijn vrienden ver oversteeg. Permekes landschappen werden primaire kleuruitbarstingen. Langzamerhand ging de monumentaliteit overheersen. Ook in zijn Jabbeekse jaren zou deze basale visie op mens en natuur overheersen.

Intussen verloor hij de aandacht voor de tekening niet. De naakten die in de tweede helft van de jaren 1920 ontstonden, behoren tot de belangrijkste in het genre. ontluisterende visie op de menselijke natuur komt in deze tekeningen ten volle tot uiting. Anderzijds leidde zijn monumentale visie vanaf 1937 naar de beeldhouwkunst.

Bibliografie

– Willy Van den Bussche, Permeke, Antwerpen, Mercatorfonds, 1986.
– Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt – Sint-Martens-Latem, Lannoo – Art Book Company, 1992.
– Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt – Zwolle, Lannoo – Waanders, 2000.

Alle 2 resultaten