Van Den Berghe, Frits (1883-1939)

Van Den Berghe, Frits (1883-1939)

Biografie

Op 3 april 1883 werd Frits Van den Berghe te Gent geboren. Vader Raphaël was op dat ogenblik secretaris van de Gentse Universiteitsbibliotheek, en zijn eruditie genoot faam onder het professorenkorps. Vanaf 1898 zou de jonge Frederik zich vervolmaken aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten. Onder zijn klasgenoten vond hij o.m. Leon De Smet en Albert Servaes, met wie hij in 1902 een atelier aan de Rasphuisstraat betrok. Met zijn boezemvriend Robert Aerens trok hij reeds in hetzelfde jaar naar Sint-Martens-Latem. Samen met Servaes vinden we hem nog in 1904 even te Latem. Pas in 1908 vestigde hij zich metterwoon in het dorp. Van den Berghe verbleef tijdens de zomermaanden in het dorp; de winters bracht hij in Gent door. In hetzelfde jaar werd hij tot docent aan de academie benoemd. Ondertussen ontmoette hij te Latem Paul-Gustave van Hecke en André De Ridder, die vrienden voor het leven zouden blijven.

Kort voor de Eerste Wereldoorlog maakte Van den Berghe een zware crisis door. Samen met een vriendin trok hij naar de Verenigde Staten, maar na enkele maanden keerde hij ontgoocheld terug. Kort daarop brak de oorlog uit, en samen met Gustave De Smet vluchtte hij naar Nederland. In de eerste tijd in Amsterdam zorgde de Nederlandse schilder Leo Gestel voor zijn Belgische kompanen; ook André De Ridder volgde zijn vrienden op de voet. Feit is dat zowel De Smet als Van den Berghe snel opgemerkt werden in het Amsterdamse kunstmilieu. Reeds in 1915 toonde de Larensche Kunsthandel interesse voor hun werk. In mei 1916 volgde de eerste grote tentoonstelling van hun werk op vreemde bodem. Onder impuls van De Ridder bracht de galerie Heystee, Smith & Co toen een uitgebreide tentoonstelling van hun werk. Amsterdam kon hen echter niet bekoren, en reeds in augustus trokken ze naar Blaricum. Nog in hetzelfde jaar was Van den Berghe een opgemerkte gast op een tentoonstelling van Belgische ballingen in het Stedelijk Museum te Amsterdam. De Belgische ballingen zouden zich naderhand in het Gooi groeperen, en samen met De Smet en Jozef Cantré vormde Van den Berghe een kolonie ‘klein Gent’ in ballingschap.

Hoewel hij pas in 1922 terugkeerde naar België, speelde Van den Berghe een bepalende rol in het ontstaan van de galerie Sélection. Van bij de geboorte van de beweging, in 1920, was de kunstenaar onder contract in de galerie; later verbond Walter Schwarzenberg hem contractueel aan de galerie Le Centaure.

Na een kort verblijf bij Permeke in Oostende, trok Van den Berghe in de zomer van 1922 naar Bachte-Maria-Leerne. Een jaar later vinden we hem samen met De Smet in de Villa Malpertuis van Paul-Gustave van Hecke, waar hij ook de volgende jaren regelmatig zal terugkeren. Le Centaure eerde hem in januari 1927 met een persoonlijke tentoonstelling; in april van hetzelfde jaar was hij er opnieuw te gast. Van Hecke bleef zijn poulain steunen, onder meer met een individuele tentoonstelling in zijn Galerie L’époque in november 1928. Zelfs in tijden van crisis ondersteunden zijn Brusselse mecenassen Van den Berghe. Nog in maart 1931 pakte Le Centaure met een individuele tentoonstelling van zijn werk uit; in de loop van het jaar wijdde Sélection een themanummer aan de kunstenaar.

Toen zijn belangrijkste broodheren, in 1931-1932 failliet gingen, werd op enkele maanden tijd 10 jaar geschiedenis te grabbel gegooid. De verzamelingen van De Ridder, Van Hecke en Schwarzenberg en de collecties van hun galerijen werden per opbod en zonder limiet verkocht. Met De Smet en Hubert Malfait behoorde Van den Berghe tot de zwaarst getroffenen. Niet minder dan honderdenzes topwerken van de kunstenaar werden voor een habbekrats geveild.

Feit is dat de conservatieve pers de economische crisis en het faillissement van de modernistische galerijen aangreep, om ook het einde van het expressionisme, de heersende stroming in de jaren 1920, aan te kondigen. Gevolg was dat de modernisten van de jaren 1920, met De Smet en Van den Berghe op kop, plots in een slecht daglicht werden geplaatst. Komt daarbij trok Van den Berghe zich terug uit het wispelturige kunstleven. Om in den brode te voorzien introduceerde Van Hecke hem in de socialistische uitgeverij Het Licht te Gent, waar hij als illustrator aan de slag kon. Vol vuur zou Van den Berghe zich in de volgende jaren op deze opdrachten storten. Illustratief werk verscheen in de krant Vooruit; ook in de weekbladen Koekoek en Voor Allen bracht hij een humoristische, soms satirische kijk op de eigentijdse culturele en politieke hoofdfiguren.

Van den Berghe trad in de jaren 1930 nog maar zelden op het voorplan. In 1933 organiseerde de Gentse Socialistische Studiekring een dubbeltentoonstelling samen met Jozef Cantré; in hetzelfde jaar liet Emile Langui de eerste monografie over de kunstenaar verschijnen. Alice Manteau organiseerde in 1936 een kleine tentoonstelling van zijn werk.

In september 1939 kwam dan toch de officiële erkenning voor zijn werk, wanneer hij voor het directeurschap van de Gentse academie werd voorgedragen. Van den Berghes onverwachte overlijden op 23 september van hetzelfde jaar maakte ook deze erkenning onmogelijk.

Oeuvre

Het vroege werk van Frits van den Berghe laat zich opmerken door een voortdurende twijfel tussen het impressionisme en het symbolisme. Het milieu waarin de jongeman zich begaf stond immers ver af van het blije, spontane impressionisme van Emile Claus. Reeds op jonge leeftijd was de kunstenaar bijzonder belezen. Vooral de lectuur van Nederlandse literatuur wekte al vroeg de interesse voor het spirituele. Tijdens zijn eerste Latemse jaren – tussen 1904 en 1913 – woonde hij vlakbij een gouwgenoot, Karel van de Woestijne. Hoewel ze elkaar weinig ontmoetten, ontstond er een zekere verstandhouding. Hun zoektocht naar de ziel der dingen bracht hen samen. Anderzijds was er ook de Gentse kring van jonge intellectuelen, zoals Paul-Gustave van Hecke, Adolf Herckenrath, Reimond Kimpe, en ook Gustave De Smet. Samen publiceerden ze in 1908 zelfs een manifest tegen het impressionisme. En toch merken we vooral in zijn landschappen Clausiaanse trekken. Maar in de portretten en de interieurs lopen droom en realiteit door elkaar, en komt de symbolistische drang naar vervreemding naar voor.

Het begin van de Eerste Wereldoorlog bracht niet direct een kentering in zijn werk. In tegenstelling tot zijn deelgenoot Gustave De Smet was hij niet onmiddellijk geneigd om de weg van het expressionisme op te gaan. Pas in de loop van 1916 manifesteerden de Duitse en Nederlandse voorbeelden zich ten volle. Op dat ogenblik stond hij dicht bij het fauvistische kleurgebruik van Kees van Dongen en Leo Gestel. Plots sloop synthese in zijn werk, herkenbaarheid verschoof naar het tweede plan. Emoties en gedachten werden geschilderd. Empathie werd zijn nieuwe leidraad. Humanistische thema’s voerden de boventoon. Schildertechnisch gaf hij de vrije hand aan een losse, wilde penseelvoering. Rond 1919 kwam deze nerveuze techniek tot bedaren. Belangrijk is dat Van den Berghe via De Smets abonnement op het tijdschrift Das Kunstblatt op de hoogte bleef van de evolutie van het Duitse expressionisme. Voor beiden vormden de gereproduceerde grafiek in het tijdschrift een voorbeeld voor de eigen hout- en linoleumsneden. Ook in zijn schilderwerk is de invloed van de Duitse expressionisten Ernst Ludwig Kirchner en Erich Heckel aanwijsbaar: in de compositie, de hoekige structuren, het gebruik van zelfstandige kleurvlakken, … Ook de fantastiek van Marc Chagall had een impact op zijn werk. In tegenstelling tot zijn vriend Gustave De Smet raakte Van den Berghe niet geïntrigeerd door de geometrie van het kubisme. Het sculpturale karakter van zijn figuren staat hun humanistische uitstraling niet in de weg. Eerder dan te berekenen, ging Van den Berghe intuïtief te werk.

Terug in België brak voor beide vrienden een klassieke periode aan. Hun Vlaams expressionisme staat voor evenwicht. Aan de Leie herontdekte Van den Berghe de natuur. Hun kunst werd verhalend van toon. Kleur kreeg een nieuwe dimensie. Niet meer in een aan het Duits expressionisme ontleende contrast, maar in het zachte accent. De coloristische basis – in een breed gamma van tedere okers tot donkere aardtonen – houdt verband met de aarde.

Maar tegenover deze herwonnen natuurlijkheid stond Van den Berghes filosofische ingesteldheid. Universele thema’s – de relatie tussen man en vrouw, het emotionele, de menselijke psyche – duiken vanaf 1924 opnieuw in zijn werk op. Dit onderzoek van het psychologische, van het onderbewuste zou vanaf 1926-1927 zijn kunst gaan overheersen. Het innerlijke leven kreeg alsmaar meer belang. Via Le Centaure en Paul-Gustave van Hecke kwam Van den Berghe ook in contact met het internationale surrealisme. De tentoonstelling van Max Ernst in mei 1927 maakte een verpletterende indruk op de kunstenaar. Ook Van den Berghe ging nu experimenteren met materiaal en techniek. De verweerde textuur van de verflaag bepaalde de voorstelling. Zijn beeldentaal stoelt op archetypische modellen. Demonen, heksen, monsters en andere vreemdsoortige creaturen doen hun intrede. De donkere wereld van de menselijke ziel doet zijn intrede. Ook de kunstenaar zelf duikt nu meermaals in de schilderijen op.

Hoewel doorgaans nogal vlug over Van den Berghes illustratiewerk heengegaan wordt, toont Van den Berghes werk voor kranten en tijdschriften zoals Koekoek, Vooruit, Voor Allen , e.a., toch een intrigerend, onverwacht aspect van zijn kunstenaarsbestaan. Soms humoristisch en volks vormen deze illustraties evenzeer een scherpe analyse van een woelig decennium. De kwellende onzekerheid van de jaren 1930 bracht hij met een soms visionaire interpretatie tot leven.

Bibliografie

** Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt – Sint-Martens-Latem, Lannoo – Art Book Company, 1992.
** Piet Boyens, e.a., Frits Van den Berghe, Antwerpen, Pandora, 1999.
** Piet Boyens, e.a., Retrospectieve Frits Van den Berghe, tent. cat., Oostende, Provinciaal Museum voor Moderne Kunst, 1999-2000.
** Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt – Zwolle, Lannoo – Waanders, 2000.

Showing 1–6 of 10 results