Malfait, Hubert (1898-1971)

Malfait, Hubert (1898-1971)

Biografie

Als zoon van de plaatselijke gemeentesecretaris Jules Malfait, werd Hubert Malfait in 1898 te Astene geboren. De gemeentesecretaris was een goede vriend van Emile Claus, Valerius De Saedeleer en Albijn Van den Abeele, en reeds op jonge leeftijd raakte hij vertrouwd met hun kunst. In de oorlogsjaren studeerde Malfait aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten waar Jules De Sutter zijn medeleerling was.

Beslissend was de ontmoeting met de critici André De Ridder, Paul-Gustave van Hecke en Georges Marlier naar aanleiding van de tentoonstelling ‘Laethemsche Kunstenaarskolonie’ die in augustus en september 1924 in het oude atelier van Gustave van de Woestyne te Sint-Martens-Latem doorging. Korte tijd later maakte hij volwaardig deel uit van de avant-gardistische expressionistische groep rond Gustave De Smet, Frits Van den Berghe en Constant Permeke. Van dan af verdedigden de progressieve Brusselse galeries hem door dik en dun. In de kritiek werd hij als de vaandeldrager van een nieuwe generatie expressionisten gezien, die de vormelijke voorbeelden van de drie voorgangers De Smet – Van den Berghe – Permeke voortzette. Reeds in 1927 kreeg Hubert Malfait een individuele tentoonstelling in het modernistische cenakel van galerie Le Centaure in Brussel. Tot de crisisjaren zou Malfait actief participeren aan het Brusselse kunstleven, waar zijn schilderijen een internationaal publiek wisten te boeien. In november 1928 kwam hij trouwens onder contract bij Le Centaure.

Dit succes bedwelmde hem echter niet. Malfait bleef zichzelf in vraag stellen, en in 1929 verbleef hij geruime tijd in Parijs. In de Lichtstad kwam hij onder de indruk van het werk van Marc Chagall, Amedeo Modigliani, Ossip Zadkine, e.a. In 1930 deelde Malfait zijn atelier met de Gentse expressionistische beeldhouwer Jozef Cantré.

Later dat jaar was hij opnieuw te gast in Le Centaure. Dit Brusselse succes werd brutaal beëindigd door de economische crisis. Wanneer Le Centaure, zijn belangrijkste broodheer, in 1932 failliet ging, werd op enkele dagen tijd 10 geschiedenis te grabbel gegooid. De collectie van de galerie werd per opbod en zonder limiet verkocht. Met Gustave De Smet en Frits Van den Berghe behoorde Malfait tot de zwaarst getroffenen. De modernistische kringen kwamen deze klap slechts moeizaam te boven. Feit is dat de conservatieve pers de economische crisis en het faillissement van de modernistische galerijen aangreep, om ook het einde van het expressionisme, de heersende stroming in de jaren 1920, aan te kondigen.

Pas in 1934 kwam Malfait opnieuw in beeld toen de Brusselse galerie Louis Manteau een tentoonstelling van zijn werk organiseerde. Onverwacht vond hij een verdediger in criticus Emmanuel de Bom, die in het verweer ging voor het expressionisme: “Het gejubel in het vijandige kamp is wellicht wat voorbarig geweest: de levende kunst, de waarlijk levende kunst tenminste, is niet zoo dood als enkelen gemeend hebben te mogen beweren.”

In de jaren 1930 was Malfait regelmatig in beeld op de Gentse kunstscène. In de zaal Ars kreeg hij in 1933 een individuele tentoonstelling. Vanaf 1938 was Malfait regelmatig te gast in de Galerie Vyncke-van Eyck in de Gentse Nederkouter. Vanaf de jaren 1950 zou Malfait bijna uitsluitend in de Gentse galerie te zien zijn.

De oorlogsjaren brachten een keerpunt in het aantal tentoonstellingen. Malfaits grote eenmanstentoonstellingen kwamen pas in 1944 tot stand. Toen toonde hij zijn schilderijen in de Galerie Brueghel. De tekeningen reserveerde hij voor de Galerie Apollo van kunstcriticus Roger Delevoy.

Kort voor zijn dood organiseerde het Museum voor Schone Kunsten te Oostende een uitgebreide retrospectieve van zijn werk. Op 15 september 1971 overleed de kunstenaar in zijn huis te Sint-Martens-Latem.

Oeuvre

Hoewel hij bij zijn debuut ontegensprekelijk in de ban van het impressionisme was, kwam Malfait al snel in de ban van het expressionisme. De periode tussen 1917 en 1923 was een lange zoektocht, waarbij vooral Eugène Laermans en Jakob Smits de te volgen voorbeelden bleken.

In 1923 ving Malfaits klassieke expressionistische periode aan. Het dorpsleven, zijn geprefereerde thematiek, werd nu bevolkt door kloeke archetypische figuren. Vooral het voorbeeld van het Franse postkubisme van André Lhote en Ossip Zadkine, dat in België door Gustave De Smet werd hertaald sprak de jongeman aan. Deze sculpturale manier van werken door de dingen in de drie dimensies weer te geven, bracht Malfait in de praktijk. Zijn figuranten zijn monumentale creaturen, die ruw met het paletmes zijn opgebouwd.

Geleidelijk aan werd het kleurvlak belangrijker. De vormelijke synthese evolueerde echter niet tot een rigide expressionisme. Malfait bracht meer anekdotische details in zijn doeken. Ook zijn kleurpalet werd rijker, dat hij in sterke contrasten tegen elkaar uitspeelde. Het aanwenden van abstracte kleuren tegen een vlakke achtergrond versterkte het speelse, vaak decoratieve karakter van zijn werk.

In de jaren van de economische crisis onderging ook Malfaits werk een grote verandering. In eerste instantie werd zijn penseelvoering losser, op een wijze die aan het fauvisme herinnert. Ook het koloriet kreeg vrij spel. In de jaren tot 1935 legde hij niet langer de nadruk op de figuur. Marines, landschappen en stillevens worden minstens even belangrijk. De archetype van weleer verdwijnen. Liever schilderde hij de welbekende figuren uit zijn directe omgeving: zijn huisgezin.

Na 1935 kwam ook Malfait in de ban van het vernieuwde humanisme dat de Europese schilderkunst kenmerkte. Het empathische vermogen dat Malfait voortaan in zijn schilderijen legde, behelsde vooral het thema van het kind. Maar ook in de arbeidscènes op het veld en de stillevens is niet langer sprake van een losse schilderkunst.

De reizen naar Bretagne, Zuid-Frankrijk en Nederland die hij na de Tweede Wereldoorlog maakte, waren van grote invloed op zijn kleurgebruik. De werken die hij ter plaatse afwerkte laten zich door een fel koloriet kenmerken. Maar in de landschappen die hij in zijn atelier afwerkte, verzachte hij de contrasterende kleuren door in de olieverf bijenwas te vermengen. Het matte effect verleende aan zijn doeken een eenheidskarakter. De techniek kwam de harmonie van het beeldvlak ten goede.

In zijn levensavond gaf hij een opvallende voorkeur aan het naakt. Ook de arbeid op het veld bleef een dankbaar onderwerp. Met het ruitermotief kwam een nieuw thema in zijn werk. Opnieuw ging Malfait meer abstraheren en synthetiseren. Zijn schilderkunst werd ook lyrischer van toon.

Bibliografie

** Solange Malfait en Piet Vanrobaeys, Hubert Malfait, Tielt, Lannoo, 1986.
** Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt – Sint-Martens-Latem, Lannoo – Art Book Company, 1992.
** Johan De Smet, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt – Zwolle, Lannoo – Waanders, 2000.

Alle 4 resultaten