Tweede groep

Vanaf 1905 vestigt zich een tweede kunstenaarsgroep te Sint-Martens-Latem : Gust. De Smet, Albert Servaes, Constant Permeke en Frits Van den Berghe. In tegenstelling tot de eerste groep Latemnaars, die aan het luminisme van de dichtbij wonende Emile Claus een symbolistische inhoud gaven, wendden deze kunstenaars zich ten volle tot deze Vlaamse uiting van het impressionisme. De grondlegger van dit luminisme was hun gevierd voorbeeld. Het contact met de eerste groep bleef dan ook zeer oppervlakkig. Zij misten trouwens de ernst en de religieuze geaardheid van de eerste groep.

Wanneer Albert Servaes in zijn symbolistische werken van de jaren 1905-1906 het donkere palet hanteert met een felle bewogenheid, zonder ook maar enige bekommernis om de 'schone' schilderkunst effent hij hiermee het pad naar het Vlaams expressionisme. Constant Permeke werd er sterk door beïnvloed, wegens de donkere kleuren, de ruwe schilderwijze en de expressieve vormen. Gust. De Smet daarentegen richtte zich als aanvankelijk impressionist, meer en meer tot het symbolisme van de eerste groep en bij Frits van den Berghe suggereren de vooroorlogse werken toch heel wat meer dan een loutere weergave van de werkelijkheid. Alleen hij bleef verwant met de Duitse expressionisten en hun stadsmentaliteit. Al de anderen waren allergisch voor het stadsleven geworden.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vestigden Gust. De Smet en Frits Van den Berghe zich in Nederland, waar zij volop in contact kwamen met het de moderne kunst, hetgeen hun doorbraak naar het expressionisme alleszins sterk bespoedigde. Frits Van den Berghe zocht naar vereenvoudiging en donkere kleuren, wat synoniem leek te worden van expressief. Gust. De Smet, sterk beïnvloed door het kubisme van Picasso en Braque, verkavelde eerder de vormen, maar zijn kubisme bleef, in tegenstelling tot zijn buitenlandse voorbeelden mild en steeds herkenbaar. Constant Permeke belandde als oorlogsgewonde in Engeland. Zijn stijl werd hoekiger en zijn fel gouden koloriet verwees naar William Turner.

Na de oorlogsjaren keerden allen uit ballingschap naar Vlaanderen terug en bereikte het Vlaams expressionisme zijn volle bloei tijdens de twintiger jaren. Ieder ging zijn eigen weg maar globaal gezien bleven de Vlaams expressionisten zintuiglijker en milder dan hun Duitse tijdsgenoten en geestesverwanten, die de ontreddering van de oorlog meesleepten.

De grote crisis van 1929 betekent net als elders ook een ramp voor de kunstmarkt. De Tweede Wereldoorlog betekent het definitieve einde voor de tweede groep van de 'Latemse school'.